Over de perfecte dag

Ik word wakker om 5u ’s ochtends en voel me ‘Here we go-erig’. Er is geen dringende urgentie om te gaan plassen en ik heb de hele nacht op mijn rug geslapen. Mijn nek kan ik flexibel naar links en rechts draaien, en warempel, ook naar boven en onder. Ik stap onder de douche, want de drang om eerst te roken komt vandaag pas binnen 25 minuten. Mijn kledij schreeuwt fashion, alsook comfort. Mijn haar heeft zich vanzelf gewassen en er staat genoeg koffie klaar.

Ik rook drie sigaretten en drink twee koppen koffie in de tuin. Achter het venster wuift mijn moeder naar me en zegt iets wat ik niet kan horen. Ik schreeuw:
‘Wat zeg je?’
‘Dat je er goed uitziet, mijn lievelingsdochter!’
Ik knik dankbaar, maar dat wist ik al.

Dan verschijnt mijn zus en lijkt ook iets te zeggen.
Ik schreeuw: ‘Wablief?’
‘Mag ik je ontbijt maken?’
Ik denk na.
‘Nee bedankt, je kan niet zo goed koken.’
Ze komt naar buiten en zegt dat ze haar best gaat doen. Goed dan.

Twee vogeltjes komen op mijn schouder zitten en ik neem een selfie. Ze vliegen pas weg als de foto geslaagd is. Eentje knipoogde, maar dat vond ik nu ook weer niet nodig.

Als ik naar binnen ga, zie ik een bezorger bij de deur.
Ik zeg: ‘Bezorgen jullie zo vroeg?’
Hij knikt.
Ik vraag: ‘Maar wat als niemand wakker is?’
‘Dan wacht ik wel.’

Ik krijg gigantische stress van dat idee, maar vandaag ga ik me geen zorgen maken over problemen die nu niet bestaan.
‘Ik heb een pakketje voor jou.’

Dat kan helemaal niet. Ik heb niets besteld. Toch staat mijn naam op het pakket en het adres klopt ook. Binnen vraagt mama wat ik heb besteld en ik zeg: ‘Niets.’
‘Wat hoop je dat het is?’
Ik zeg: ‘Cash geld of een brief.’
‘Wat voor brief?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Maakt niet uit, zolang het niet van de CM of de belastingen is.’
Mijn mama zegt: ‘Een brief zou toch nooit in een doos komen?’
‘Wel als het een erg lange brief is.’

Het blijkt toch een brief te zijn — van de belastingen. Maar er staat in dat ze me 100.000 euro verschuldigd zijn.
‘Wat fijn…’ zegt mijn moeder. ‘Het is eigenlijk wat je allebei wou.’

Ze vraagt me wat ik ga doen met dat geld, en ik zeg dat ik de helft ga investeren en de andere helft ga uitgeven.
Ze antwoordt: ‘Slim.’
Ik zeg haar dat ik ook iets voor haar ga kopen. Voor ons gezin. Misschien een reisje.
Daar zijn ze blij om en daar ben ik blij om.

Ook mijn hondje is erbij gekomen. Hij staat op zijn twee achterpoten en kruist zijn armen. Hij weet dat we straks gaan wandelen en dat we geen leiband nodig hebben. Hij zal me gewoon een hand/poot geven. Toch vraag ik hem om nu weer even op vier poten te staan, want het is toch maar een beetje eng. Dat begrijpt hij wel, want hij is een Labrador.

Dan komt mijn vader.
‘Het werkt.’
‘Wat?’ vraag ik.
‘Je hebt nu stromend water in je kamer.’
‘Wow, heb je dat nu gedaan?’
Hij knikt. Wat snel.
‘Is er nu een lavabo?’
‘Ja, en ook een toilet. Er is wel enkel koud water.’
Dat vind ik helemaal niet erg.

Mijn hondje aait mij en mijn zus zegt dat ze de pannenkoeken heeft laten aanbranden.
Ik zeg dat het niet erg is. Eigenlijk heb ik niet echt honger ’s ochtends.

Wat een aardige dag.
Om 6u ’s ochtends was het binnen een kwartier al 17u ’s avonds. De hele middag werd overgeslagen, want ik hou van de vroege ochtend en avond.

Het geld werd gestort zonder dat ik nog een rekeningnummer moest sturen. Gelukkig maar, want ik weet niet of ik dat had gedaan. Gegevens opsturen vind ik erg lastig, want mijn Belfius-app schakelt om naar Frans, Itsme vraagt weer om mijn gsm-nummer, en Payconiq wil steeds dat ik een kaartlezer gebruik — en die is kapot. En die kan ik enkel ophalen in een Belfius-bank, en dan wel die in Oudenburg, en dat is 15 km fietsen. Ik krijg eigenlijk gewoon twintig migraines van dit soort dingen.

Maar dit is de perfecte dag, dus alles gaat even hoe ik het wil.

Maar de volgende dag word ik wakker om 7u30 en voel me nog steeds wat moe. Toch sta ik op en klaag eerst wat tegen mezelf dat ik lui ben, ook al is 7u30 een mooi uur om op te staan.

Ik ga meteen roken, maar er staat niet genoeg koffie klaar. Wel genoeg om nu een tasje te drinken, maar volgens mij kan ik daar de waarde nog niet van inzien.

Mijn moeder wuift aan het venster en ik hoor haar niet. Boos doof ik de sigaret en ga ik naar binnen.
‘Kan je straks de Roomba laten lopen?’
Ik denk in mezelf: ik heb echt zóveel te doen vandaag. Ik kan het er echt niet bijnemen om op de knop van de Roomba te duwen.
Mijn moeder ziet mijn norse blik en snauwt: ‘Het is al goed. Ik ga het zelf wel doen.’

Aha, eindelijk nestelt mijn rationaliteit zich.
Ik schreeuw: ‘Nee mamaatje! Ik doe het wel. Sorry, ik heb gewoon zo’n nekpijn.’
Ze kijkt me aan met een blik van: ‘Nekpijn of niet, onze plichten wachten gewoon, hoor.’
En daar heeft ze gelijk in.

Ik rook mijn tweede sigaret zonder koffie en moet even weer bezinnen en bepalen wat voor dag dit wordt.
Mijn zus maakt pannenkoeken voor zichzelf en ze zien er lekker uit. Goed voor haar.

Twee roodborstjes zitten op het wasrek. Ik wil een foto nemen, maar ze vliegen net weg. Dat is niet erg, want ik heb het toch gezien, en het was een leuk zicht.

Mijn vader vraagt of ik vandaag om 14u thuis kan zijn zodat ik zijn pakketje kan ontvangen. Dat kan, maar enkel als hij stromend water in mijn kamer kan installeren. Hij lacht me uit, maar ik zie hem er ook over nadenken. Wie weet!

Ik aai mijn hond en mijn moeder geeft me een brief. Het is van de CM. Het zijn weer 20 klevers.
Ik zeg: ‘Maar enfin, dat is nu al de vierde keer in een maand dat ze klevers sturen.’
Mijn mama zegt: ‘Wees blij dat het geen rekening is.’
Ik ben blij.

Later komt het pakket van mijn vader, snauwt mijn zus me iets toe, graaft de hond een put in mijn moestuin.
Ik moet ook de gang boven stofzuigen, want daar komt de Roomba niet.
Toch valt het best mee en ruim ik samen met mijn moeder de gang op, en dat is gezellig en ook wat grappig, want we vinden steeds opnieuw kussenslopen die we nog nooit eerder zagen.
Het blijken er 45 in totaal te zijn, en die dumpen we dan maar in de kamer van mijn zus.
We stellen vast dat ze in een Tupperware-doos onder haar bed kunnen, maar dat is voor haar alsnog lastig.

Wel, wij vinden het een geweldig idee en triomferen dan ook als ze zich bij de situatie neerlegt.

Nu is het daar weer proper en ga ik ook eens douchen, en dat doet deugd.

Tijdens het avondeten kunnen we erg hard lachen en als ik klaag over mijn kaartlezer, zegt mijn mama:
‘Ik heb ook nog een Belfius-kaartlezer.’

Wat een perfecte dag — en dat heb ik zelf zo bepaald.

Over huilen in de Delhaize.

Er moet dringend iets gebeuren.

Of er moet toch dringend iets gedaan worden.

Iets aan de kruimels op een ongebruikte yogamat, iets aan het stof op de
ongeopende boeken. Aan de stijgende stapel servies, strategisch voor de deur van
mijn slaapkamer geplaatst in de hoop dat ik ze meeneem. Er moet toch een moment
komen waarop er niet langer meer overheen gestapt kan worden.

Er moet dringend iets gebeuren aan het beddengoed dat steeds een maand te laat
wordt gewassen. Ik moet iets doen, maar het mag me liever overkomen. De
verantwoordelijkheid nemen, kan niet.

Ooit kon ik uitleggen waarom, maar vandaag niet. Gisteren ook niet. Eergisteren wel,
maar dat is ondertussen ook al een maand geleden. De touwen loslaten nam de tijd
met zich mee, en nu is het 4 uur en 16 uur. Het is de hele dag donker, de hele nacht
licht.

De planten hangen slap, maar de fruitvliegen zijn vitaal. Ze zeggen: ‘Helaba, leef jij
nog?’

Ik antwoord: ‘Help me toch, zien jullie niet dat ik het niet zelf kan?’
Maar ze weten dat ik precies hier, precies zo, wil blijven. Kermend om hulp omdat het
gewicht te zwaar is — en niet zwaar genoeg.

Een yogamat werd aangekocht en ligt klaar om te gebruiken, boeken over zelfliefde en
herstel werden besteld en kunnen gelezen worden. De planten kunnen nog steeds
water krijgen. Het is nog niet verloren, want het kan. Onder de chaos ligt iets te
wachten, kan er nog iets gebeuren.

Ooit was er nood aan orde, maar nu is al wat niet klopt, net genoeg.
In mijn vacuüm is chaos alles en niets. Het is niet grijs. Wat wit, soms een beetje
zwart. Koud en warm. Maar niet lauw. Het zijn zeven kousen op de grond. Een gelijk
paar kan niet gemaakt worden en dat is oké — alsook een ramp.

De ventilator kan niet roteren, en zo zit ik opgesloten in een luchtkasteel waar een
constante wind me weerhoudt van nadenken. Piekeren is weinig zinvol indien de
gevolgen reeds vaststaan. Het verleden is een film die ik al gezien heb. Ik hoef enkel
maar te kijken, niets beslissen. Niets om van te schrikken. Ik weet wat zij gaat zeggen,
en ik weet wat het mij doet voelen.

Er is niet langer een begin, een eind, een ritme. Cijfers op een digitale klok hoeven
niets te betekenen. Vier uur is vier uur. Blijven liggen is blijven liggen, en iets anders
hoeft het niet te zijn — al helemaal niet te worden.

Het is net niet goed, net geen ramp. Alles rond me vergaat, maar ik nog niet. Het is
staan op een rand en het brokkelt. Maar er is nog een weg terug, wie weet een weg
vooruit. Het elastiek is uitgetrokken, maar nog niet gesprongen.

Maar om 9 uur ’s ochtends of 9 uur ’s avonds gebeurt het. Een logische orde overvalt
me.

Mijn zes flessen Sprite zijn leeg.

Ze kunnen weer aangevuld worden. Moeten aangevuld worden. Het is opgeven indien
ik het niet doe. Het elastiek mag rekken, maar niet breken. Ik geef me nog niet
volledig gewonnen, want dat had zij niet gewild, en dat had zij wel gewild.

Dus ik klim over het servies, schuif in een paar slippers en ga naar de nachtwinkel of
de Delhaize. Dag of nacht, ik zie zo meteen waar ik welkom ben. Waar er ruimte is
voor mij.

Het vacuüm verlaten gaat vlotter dan ik hoopte. In een lintbebouwing loopt alles
lineair en ligt alles op één route. Ik hoef niet naar links of rechts. De keuzes worden
voor mij gemaakt. Mijn slippers maken een ritmisch geluid en vormen kussentjes voor
mijn breekbaar bestaan. Ik flipflop over het asfalt en geloof bijna dat hier ook een
plek is voor mij.

In de Delhaize zet ik het ritme verder. Ik neem een mandje op wieltjes, en als die
wieltjes versleten blijken te zijn, ga ik gewoon terug en neem een beter mandje. Ik zou
willen schreeuwen: ‘Zeg, zien jullie hoe goed ik bezig ben? Hoe gemakkelijk ik het
mezelf maak? Dit geloof je toch zelf niet!’

En ik kan werkelijk vaker buitenkomen, vaker thuiskomen.
Ik hou me netjes gedeisd en schreeuw niet in de supermarkt. Ik fluister enkel: ‘Zie je
wel dat je het kan?’

Zie je dat ik vloeiend kan rollen? Ik moet gewoon zelf kiezen voor goeie slippers,
goeie wieltjes. Kiezen om mijn fruit eerlijk te wegen en niet een beetje op te tillen,
kiezen om te glimlachen. De wereld lacht terug, en ik kan kiezen om straks mijn haar
te wassen.
Een eenzame vrouw zoekt douchegel van Nivea, maar vindt die niet. Gelukkig ben ik er
om haar te redden. Ik heb geen hulp nodig. Ik ben de hulp.
Een euforie maakt zich meester. Met een gigantische innerlijke kracht doe ik het
onmogelijke en neem ik een pak spuitwater in plaats van Sprite — en ik kan het niet
laten om te piepen van trots.

Dit is het begin van een nieuw leven. Ik kan vermaken wat kapot is. Lakens kunnen
gewassen worden, een klokradio kan ik op GMT+2 zetten. Mijn kousen weggooien,
nieuwe kousen hier kopen, straks mijn kamer laten luchten, gaan lopen, eerst
loopschoenen kopen, een boek lezen — ik kan. Ik kan. Ik kan.

Ik kan dragen.

Maar dan kom ik tot stilstand.

Ik kijk naar de lactosevrije producten, en daar overvalt me iets.
Iets wat ik niet goed kan plaatsen en wat tegelijk perfect zijn plek vindt. Een mix van
misselijkheid en melancholie weet al te goed waar het zich kan nestelen. Het is
vreselijk warm en ik begrijp niet waarom, want het is 26 graden en ik heb een fleecetrui
aan. Ik kan de frigo van de lactosevrije producten misschien openen en even
afkoelen, maar dat gaat niet — want zij was lactose-intolerant en dat was ik vergeten.
Dat gedeelte zit niet in de film die ik steeds opnieuw afspeel.

Waar plaats je die scène in godsnaam? Er is weer een begin en einde, en ik wil terug.
Al weet ik niet naar waar. Terug naar binnen, terug naar barsten, vlekken, een holte
waar ik mag lijden en waar niets ondernomen hoeft te worden. Terug thuiskomen waar
ik niet hoor, waar ik niet ben.

Vast in de film die ik reeds ken. In dat scenario is geen ruimte om stil te staan bij wat
ik heb verloren. Geen gejammer om verliezen wat nooit van mij was.

Daar is enkel weggooien wat ik ooit ben geweest, enkel wachten op iets dat dringend
moet gebeuren. Wachten tot ik terugkom.

Daar is niets van mij, niets mijn fout. Niets mijn verantwoordelijkheid. Wachten op een
elastiek dat breekt.

Maar het breekt niet zoals ik wou dat het brak. Het breekt hier en nu, door lactosevrije
producten. Zij was lactose-intolerant en dat heb ik kunnen vergeten, door mijn
vacuüm niet kunnen verteren. Ik breek omdat ik niet weet wat ik ervan moet maken.
Dat ze geen melk kon verdragen was lastig — of het was eigenlijk niet zo lastig.
Ik was lastig, zij was lastig, een relatie hebben was lastig, uit elkaar gaan was lastig,
of het was mooi, of het is het einde — ik weet niet wat ik ervan kan maken.
Ik kan er niets van maken. Ik sta verdomme te huilen bij de lactosevrije producten.
Ga dan weg. Ga naar de fijne vleeswaren.
Ik denk toch dat ik straks zelfmoord ga plegen. Je hebt echt geen andere keuze als je
staat te huilen bij de hespenworst. Dat betekent enkel dat je toch niet welkom bent,
hier toch niet thuishoort.

Het pak spuitwater heb ik neergezet. Mijn tranen maken de kraag van mijn fleecetrui
nat. Ik sta te huilen in de Delhaize en ik kan er niet mee stoppen want ik begin uit te
zoomen en zie mezelf daar staan. Een eenzame jonge vrouw die straks zelfmoord gaat
plegen — hoe ongelooflijk triest, hoe ongelooflijk tragisch. Wat erg, erg, erg.

Ik kijk even op en zie iemand kijken. Misschien wil hij me helpen? Misschien word ik
nu gered. Ik maak oogcontact, maar hij kijkt snel weer weg. Hij denkt dat ik een zottin
ben. Je huilt bij de fijne vleeswaren. Wat verwacht je dan? Je leed is niet romantisch.
Misschien is het een klein beetje melodramatisch?
Maar ja, ik wil dood. Dat is echt erg, hoor.
Je kan straks zelfmoord plegen, maar dan moet je eerst naar huis. Ik moet naar huis,
ik moet eerst afrekenen, ik moet eerst stoppen met zo hard te snikken. Oké dan.

De tranen blijven lopen, maar het gesnotter mindert. Dat is iets beter.
De man is ondertussen weggewandeld en dat is iets goeds. Ik adem even rustig en
open de frigo van de fijne vleeswaren. Ik kalmeer door de kou of door het verlossende
idee van zelfmoord. Ik hoef niet te kiezen.

Ik reken af en zet mijn mandje weg. De verantwoordelijke van de selfscan glimlacht.

Buiten is het nog steeds donker, nog steeds licht. Als ik terug naar het vacuüm ga,
moet ik zelfmoord plegen, dus ik ga nog even op een bankje zitten.
Nu heb ik zicht op een gevaarlijk kruispunt. De auto’s zoemen voorbij.
Ik denk terug aan net, aan de lactosevrije yoghurt, en zo ook aan ons — of eerder: aan
jou en mij.

Aan hoe lastig het was, aan hoe mooi het was. Aan warm en koud, nooit lauw. Aan
nooit alles, nooit niets, nooit genoeg.

Ik was niet genoeg en ik was te veel. Misschien was ik niets. Misschien hoef ik helemaal niets te zijn. Ben ik nu net datgene wat ik hoor te zijn. Deed ik wat ik kon en was dat te veel, te weinig?

Ik adem in, en ik heb pijn, maar ik kan het nog eens. Het elastiek staat nog steeds op
springen, maar doet dat niet.

We deden niet genoeg, en we deden wat we konden.

De auto’s passeren. De een na de ander. Er is een ritme en er is tijd. Er is een film die
ik nog niet zag, maar ik blijf kijken.

We maakten fouten — en dat was juist.

Ik kan straks mijn lakens wassen. Ik kan straks zelfmoord plegen. Het kan.

Ik kan je haten en ik mag je missen.
Ik mag verdriet hebben.
Ik kan weer thuiskomen.

Bij mij.